Nieuws

Updates over NMI, onze cursussen en interessante artikelen.

Er wordt juist niet beter gerekend

Het volgende opiniestuk is eerder verschenen in NRC Handelsblad.

Minister Slob (Onderwijs) juicht te vroeg, schrijft directeur van het Nederlands Mathematisch Instituut . En dat is riskant.

Het gaat slecht met de rekenvaardigheid van Nederlandse kinderen. Verschillende onderzoeken, nationaal en internationaal, laten zien hoe het Nederlandse rekenonderwijs de afgelopen decennia is verslechterd.

Sommige betrokkenen relativeren de slechte onderzoeksresultaten als ‘gebrek aan motivatie’ onder Nederlandse leerlingen. Maar in het algemeen erkent men dat het opkrikken van het rekenonderwijs de allerhoogste prioriteit moet krijgen, om te voorkomen dat we nóg meer laaggecijferden de maatschappij insturen, mensen die niet in staat zijn eenvoudige rekentaken zoals het controleren van een kassabon of het berekenen van een korting op Black Friday te volbrengen.

Die reken-noodklok beiert al een tijdje en dat is niet leuk voor de politiek, die graag goed nieuws brengt, en voor de media, die niet van herhaling houden. Dat verklaart wellicht waarom het ministerie van OCW onlangs groot uitpakte met het nieuws dat ons rekenonderwijs aan de beterende hand is. Onder meer NRC kopte: ‘Leerlingen rekenen beter maar nog niet op het niveau van 1995’. Maar zelfs die bescheiden claim is twijfelachtig, blijkt uit een nadere inspectie van de gegevens.

Onbetrouwbare gegevens

Het ministerie baseert zich op het onderzoek van Trends in International Mathematics and Science Study (Timss) uit 2019, een vierjaarlijks internationaal vergelijkend onderzoek, waaraan 58 landen deelnemen. De onderzoekers hanteren vier rekenniveaus en stellen vast dat meer Nederlandse leerlingen het hoogste niveau haalden: van 4 procent in 2015 naar 7 procent in 2019. Ook het aantal leerlingen dat slaagde voor het één na hoogste niveau steeg: van 37 naar 44 procent.

Timss vermeldt deze resultaten weliswaar, maar stelt ook dat deze gegevens statistisch niet betrouwbaar zijn. Om representatieve cijfers te krijgen, hanteert Timss twee criteria: 85 procent van de geselecteerde scholen moet meedoen, en van die geselecteerde scholen moeten álle leerlingen deelnemen. Anders krijgen scholen de mogelijkheid om de deelnemers op hun rekenkunde te selecteren.

In Nederland deed slechts 75 procent van de geselecteerde scholen mee. En daarmee voldoet de Nederlandse steekproef niet aan de door Timss gestelde minimum eisen.

In het juichende persbericht en de dito Kamerbrief van minister Slob (Basis en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) over het onderzoek wordt over die onbetrouwbaarheid met geen woord gerept – daar valt veelvuldig het woord ‘significant’.

Kan een verbetering van 3 procent ‘significant’ zijn wanneer de steekproef zelf van onbetrouwbare kwaliteit is? Als Nederland inderdaad zijn beste scholen naar voren heeft geschoven en dan nog slechts de veertiende plaats op de ranglijst haalt, lager dan in 1995, is dat dan reden tot vreugde?

Onderzoeksleider Martina Meelisen stelt in NRC dat er iets aan die veel geciteerde meting van 1995 mankeerde, maar over de ondermaatse Nederlandse steekproef: geen woord! Of zijn meetfouten alleen relevant wanneer ze het resultaat negatief beïnvloeden, en vegen we ze bij een positief effect onder de mat?

Een plaatsje in de middenmoot

Ja, we zijn ‘gestegen’ ten opzichte van Frankrijk, Duitsland en Denemarken. Maar wat als het rekenonderwijs in die landen net zo gedegradeerd is als bij ons? Zou het niet van meer ambitie getuigen als wij onszelf vergeleken met de echte toppers op deze ranglijst, zoals China, Japan en Singapore? Altijd het lichtend voorbeeld voor de rest van de wereld willen zijn en nu complimenteren we onszelf met een plaatsje in de middenmoot?

Ooit veroverden Nederlandse innovaties de wereld; denk aan de waterwerken, de microscoop, het kunsthart, de cd, de klapschaats en de continu variabele transmissie (CVT), die over de hele wereld in auto’s zit. De laatste Nederlandse wereldinnovatie die mij bijstaat is de uitvinding van Bluetooth, door de Nederlander Jaap Haartsen, in 1994, ruim 25 jaar geleden. Toen Nederland nog kon rekenen.

Dat minister Slob zichzelf in deze donkere dagen graag een politiek kerstcadeautje geeft, kan ik begrijpen, maar bevat de verpakking ook iets van substantie? Nee.

Er is een grote kans dat dit ‘significante’ herstel van ons rekenonderwijs slechts een statistisch artefact is. Zeker ook gezien de oplopende onderwijsachterstanden door corona lijkt het mij verstandig om voorlopig daar vanuit te gaan, in plaats van triomfantelijk achterover te leunen in de waan dat het lek alweer boven water is. De grootschalige aanmaak van laaggecijferden gaat door. Tijd voor actie, minister!

Sezgin Cihangir is directeur van het Nederlands Mathematisch Instituut.

Relevante artikelen